Artikelen

Open(baar)heid van bestuur

Democracy dies in darkness
(Motto van The Washington Post)

Openheid

Een paar jaar geleden logeerde een van ons in een provinciaal resort in Kwazulu-Natal, Zuid-Afrika, waar allerlei houten huisjes in het veld en tussen de bomen bij elkaar stonden. Het adres hadden we van een bevriende Zuid-Afrikaan gekregen, omdat we op doorreis een plek zochten. Van de beheerder mochten we ons daar in een huisje installeren.

Toen we ingeruimd waren en besloten de omgeving in een wandeltocht te gaan verkennen, misten we een sleutel om de deur af te sluiten. We liepen naar de beheerder en vroegen hem ernaar. Hij antwoordde dat niemand in het resort een sleutel kreeg. Dit was dan wel Zuid-Afrika, maar in zijn resort werd niet gestolen. Nooit. Het wederzijds vertrouwen tussen iedereen was er zo groot dat van diefstal gewoon geen sprake was. Dat hoefde hij niemand ook te zeggen: het was gewoon zo. Alle huisjes stonden altijd open en werden eenvoudigweg niet afgesloten. En ja, er kwamen ook wel witte mensen bij hem op verblijf en die kwamen dan altijd naar hem toe. En inderdaad, ja, altijd om de sleutel van hun huisje. Uiteindelijk begrepen de meesten het ook wel –zij het met enige huiver– als hij tegen hen vertelde dat ze die sleutel niet kregen. En als ze het niet begrepen zei hij altijd dat ze de deur aan de binnenkant wel af konden sluiten met touw of zo. In al die jaren, voegde hij er dan steeds aan toe, dat hij beheerder van deze plek was, was er nog nooit één diefstal geweest. Openheid was een kwestie van vertrouwen, zei hij, en als ook maar één persoon dat miste, kon niemand meer open zijn.

Openheid en openbaarheid

Als openheid inderdaad een kwestie van vertrouwen is, wat betekent dat dan voor de nieuwe bestuurscultuur, waarover de laatste tijd zo veel gesproken wordt in Nederland? Die is al jaren bepaald niet open geweest en dat komt in het huidige tijdsgewricht (weer eens) boven tafel. De vraag die nu boven de markt hangt is dan ook: wat met die cultuur te doen? De Tweede Kamer lijkt openheid van bestuur vooral te zien als een kwestie van openbaarheid – openbaarheid van overleg, van gesprekken, van stukken, van kortom alles wat in de partijpolitiek  van pas kan komen om de eigen positie te versterken en de positie van de andere partij te ondermijnen. Anders dan vanuit een legitieme verantwoordingsrol wordt van bewindslieden openbaarheid geëist om hun handel en wandel te kunnen volgen, om hen op fouten te kunnen betrappen en om hun vervolgens de politieke rekening voor hun feilen te kunnen presenteren. Veel van de eindeloze Kamer-debatten hebben ook geen enkel ander doel dan dit: het uitspreken van gebrek aan vertrouwen in bewindspersonen en in elkaar. Dat is de focus: op elkaar en de burger om wie het feitelijk moet gaan verdwijnt meer en meer naar de achtergrond.

De media -in het bijzonder de schrijvende pers- spelen maar al te graag de rol van aangever in deze dramapolitiek. Het onthullen van schandalen en van misstanden in de politiek ziet de pers tenslotte -en niet helemaal onterecht- als een van haar wezenlijke opgaven, passend bij haar rol van wachter voor de openbaarheid. Democracy dies in darkness, luidt het motto van The Washington Post niet voor niets.

Openbaarheid van bestuur en openheid van bestuur zijn twee wel van elkaar te onderscheiden noties.

Rutte’s gang naar Canossa

Op 11 mei 2021 werd Mark Rutte in Nieuwsuur geïnterviewd door Mariëlle Tweebeeke. Rutte had aangekondigd dat hij hier zijn radicale ideeën waar hij lang over had nagedacht uiteen zou zetten: de nieuwe bestuurscultuur. Wij van Pafort & Partners vroegen ons af of Rutte zich niet niet beter tot de Tweede Kamer had kunnen richten, bijvoorbeeld als volgt.

Mevrouw de voorzitter,

De Kamer heeft mij gevraagd mijn visie te geven op een nieuwe bestuurscultuur. Ik heb laten weten daar radicale ideeën over te hebben. Dat was ietwat overmoedig, stel ik nu vast; ideeën heb ik wel, maar wellicht zijn ze niet zo heel erg radicaal. Daar moet u straks zelf maar over oordelen.

Ik sta hier voor u, niet als minister-president, demissionair of beoogd, maar als kamerlid en fractieleider. Het is mij opgevallen dat de leden van deze kamer in de afgelopen dagen deze petten niet goed uit elkaar hebben weten te houden, en mij in mijn hoedanigheid van premier hebben aangevallen op uitspraken die ik tijdens de verkenningsgesprekken als in mijn functie van fractievoorzitter van de VVD heb gedaan.  Dat leidde tot een in dit huis niet eerder vertoonde, en wat mij betreft niet voor herhaling vatbare strafexercitie waarbij kamerleden een ander kamerlid bestoken met moties van wantrouwen en van afkeuring. Als wij elkaar als kamerlid de maat willen nemen horen we dat te doen op de gebruikelijke wijze: achter de microfoon, in een debat, en met argumenten. De vloer van de Tweede Kamer is daarvoor de arena, en onze vergaderorde bepaalt wat we daar wel en niet mogen doen. Moties van afkeuring en van wantrouwen zijn instrumenten van de Kamer om regering of bewindslieden tot de orde te roepen, niet collega-kamerleden. Dat de Kamer dit onderscheid in mijn geval kennelijk uit het oog is verloren stemt niet vrolijk en doet de vraag rijzen of het eigenlijk wel verstandig is dat zittende demissionaire bewindslieden tevens als fractieleider deelnemen aan formatiegesprekken. Niet alleen heeft kennelijk de Kamer moeite om die rollen goed van elkaar te onderscheiden, het is ook niet uitgesloten dat de spelers van die dubbelrol dat zelf ook niet kunnen. En mag ik u eraan herinneren dat het hier niet alleen mijn persoon betreft, maar ook die van de fractieleiders van het CDA, van D’66 en van de SGP? Laten we hier maar eens over nadenken.

Voorzitter, wat is dat nu eigenlijk, die nieuwe bestuurscultuur? Ik zou menen: een bestuurspraktijk die gebaseerd is op onderling vertrouwen tussen burger en bestuurders. En laat ik meteen maar duidelijk zijn: tot die bestuurders mogen ook de leden van deze kamer worden gerekend. Ik hoef u er niet aan te herinneren dat de regering in dit land wordt gevormd door de ministers en de Staten Generaal.

Een artikel van: