Mag niet!

Mag niet!

1. Slaaf mag niet

De geschiedenis van ons land hangt van bloedvergieten, roverijen en knechting aan elkaar. Daar zijn we in Nederland tenslotte rijk en welvarend van geworden. We eigenden ons niet alleen toe wat aan andere volkeren toebehoorde: grondstoffen, en producten als specerijen, koffie, suiker, katoen, rubber. We parasiteerden ook op hun arbeid, die al dan niet onder dwang gratis of tegen een bodemprijs werd verkregen. De oudste, en meest profijtelijke vorm daarvan was de slavernij. Niet alleen beoefenden we deze met verve in de Oost, in de West, in Brazilië en in Zuid-Afrika, maar we maakten ook naam als vervoerders van scheepsladingen slaven vanuit Afrika naar Suriname, de Antillen en Amerika. Hoewel de slavenhandel in 1814 verboden werd, kwam er pas in 1873 feitelijk een einde aan de slavenhouderij in Suriname, en daarmee waren we zo’n beetje het laatste land in de wereld. Zoals met veel van ons verleden, wisten we met de slavernij in onze geschiedschrijving ook niet zo goed raad. In zo’n geval wordt er dan in dit land gezwegen. Dat kan betrekkelijk lang duren, dat zwijgen – totdat, meestal als gevolg van maatschappelijke druk, een duister en in het vergeetboek van de geschiedenis weggestopt hoofdstuk van lieverlede in het daglicht wordt gezet dat het nooit heeft kunnen verdragen. Dit mondt meestal uit in de instelling van een voorname commissie, die nog eens vaststelt wat we, dankzij de wetenschap en de journalistiek, allemaal al lang weten; en daarna volgt excuus, of tenminste de erkenning dat onze voorouders er een bende van hebben gemaakt.

Zo is het ook gegaan met onze slavernijgeschiedenis. Inmiddels heeft de slavernij heeft een plaats gekregen in de Canon van de Nederlandse geschiedenis. En onlangs heeft de gemeente Amsterdam haar rol in de slavenhouderij laten uitzoeken – weer die commissie!- , en moeten vaststellen dat die rol uiterst bedenkelijk is geweest. Daarop zijn door burgemeester Halsema excuses aangeboden. Voor wat, en aan wie, dat bleef onduidelijk. Wel verzekerde de burgemeester ons, dat, uiteraard, niemand van de thans levende Amsterdammers, noch ook het gemeentebestuur, schuld had aan het slavernijverleden van de stad. Dat is allemaal erg begrijpelijk, maar het maakt het hele excuusgedoe een tot een wel zeer gratuïte onderneming – een vorm van witwassen van een zwarte geschiedenis.

Iets dergelijks gebeurt ook in onze taal. Daarin is het woordje slaaf in betrekkelijk korte tijd in de taboesfeer beland, en vervangen door de uitdrukking tot slaaf gemaakte. Aan het woordje zelf kleeft geen gebrek – we weten allemaal al eeuwenlang wat ermee wordt bedoeld, maar er is een groep burgers die er aanstoot aan is gaan nemen. Daarop hebben politiek en media het woord in de ban gedaan, en omgekat tot het moeizame tot slaaf gemaakte. Aan die operatie is hoofdzakelijk krom denkwerk te pas gekomen. Want de samenstelling tot slaaf gemaakte is zowel in logische als in semantische zin een gedrocht, en bovendien hoogst gebruiksonvriendelijk.

Wat is immers die slaaf, in de tot slaaf gemaakte? Dat is natuurlijk óók een tot slaaf gemaakte. De uitdrukking zou dus tenminste moeten zijn tot tot slaaf gemaakte gemaakte. En ook dat is niet voldoende om aan het Droste-effect in deze constructie te ontsnappen.  Bovendien moet de term slaaf in de uitdrukking tot slaaf gemaakte een zelfstandige betekenis hebben, anders zou de uitdrukking tot slaaf gemaakte nergens op slaan bij gebrek aan substantie. En die betekenis is deze: een slaaf is een mens over wie een ander mens in alle opzichten kan beschikken als zijn volstrekte eigendom. Daarmee is eigenlijk alles gezegd. Kenmerkend voor het slaaf-zijn is niet dat een mens ooit tot slaaf gemaakt is -al moet hijnatturlijk wel ooit in slavernij zijn gevoerd-,  maar dat hij in slavernij wordt gehouden. Dat zou dus het alternatief voor slaaf kunnen zijn: in slavernij gehoudene. Maar ook dit blijft een omslachtig, en vooral overbodig gedoe.

Met het woordje slaaf is niets mis. Het is een begrip dat door de ellendige geschiedenis van de slavernij is gekneed en gevormd. Niet het woord is schuldig –  de geschiedenis is dat. We kunnen de zwarte pagina’s van onze historie niet witten door met excuses te goochelen en met taal te knoeien, hoe aantrekkelijk dit voor bestuurders en opiniemakers ook mag zijn.

 

2. Mag niet

ik mag niet mag niet zeggen

zeggen ze mag niet

mag ik niet zeggen

en zeg ik mag niet

zeggen zij mag niet

als magneten

mag nieten ze mag niet

in mijn oren

en zeg ik toch mag niet

ben ik verloren

dan mag ik enkel mag ik zeggen

zeggen ze en zeg ik mag ik

dan zeggen ze

ik moet mag ik zeggen

niet mag ik niet maar mag ik

en zeg ik niet mag ik maar mag ik niet

ben ik verloren

en zeg ik niet mag ik en zeg ik niet mag ik niet

dan zeggen ze zacht in mijn oren

wat je mag mag je niet en wat je niet mag mag je niet

je moet

 

zo hebben we verloren

 

Pafort & Partners

 

Reageren? Dat kan: info@pafortpartners.com