January 29, 2016 Redactie

Good governance

Good governance – een deftig woord voor goed bestuur. Goed bestuur is, sinds de rapporten van de commissies-Tabaksblat en -Glasz, een normaal concept in grote ondernemingen en in de gezondheidszorg. Het staat voor een heldere bevoegdheidsverdeling in bestuur en management en transparant toezicht op het ondernemingsbestuur, en voor een goed georganiseerde verantwoording jegens de belanghebbenden bij de onderneming.
Ook tot het hoger onderwijs is het governance-concept inmiddels doorgedrongen, al zullen weinigen daar iets van merken. De invoering van goed bestuur als toezichtsmodel in het HBO en het WO moet de aftocht van het ministerie van OC&W als toezichthouder dekken. De uiterlijke verschijnselen ervan kunnen al enige tijd worden waargenomen: hogescholen en universiteiten beschikken inmiddels  over een eigen Raad van Toezicht, die de Colleges van Bestuur benoemen en controleren. Daarnaast zijn de Hogeschoolraad en de organisatie van Nederlandse universiteiten (VSNU) ter vastlegging van hun toezichtmodel aan het codificeren geslagen: zowel het hoger beroepsonderwijs als het wetenschappelijk onderwijs heeft inmiddels zijn eigen branchecode voor goed bestuur.
In beide codes wordt omstandig aandacht besteed aan de verticale governance: de interne toezichtverhoudingen. Wat daarbij opvalt, is dat nergens duidelijk wordt hoe de Raden van Toezicht worden samengesteld. Wel zijn er vele bladzijden gevuld met incompatibiliteitsbepalingen, maar welke personen kwalificeren voor de post van toezichthouder, en in welke kringen zij moeten worden gezocht valt nergens te lezen.
Met de horizontale governance, de verantwoording aan de belanghebbenden, weten de instellingen zich kennelijk geen raad. In de code voor de hogescholen staat nog te lezen dat het College van Bestuur verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de horizontale dialoog, maar iets dergelijks ontbreekt geheel in de code voor de universiteiten. Wellicht heerst daar de opvatting, dat alle belanghebbenden al in de universiteitsraad zitten.
De beide branchecodes vormen voor de bestuurders van de instellingen geen dwingend kader. Zij bevatten geen regels, maar alleen beginselen voor goed bestuur, richtlijnen die nog in concrete actie moeten worden omgezet en waarvan eventueel kan worden afgeweken. Die afwijkingen moeten dan wel worden verantwoord jegens “de belanghebbenden”, hoe men die ook wil definiëren. Deze wiebelige beginselvastheid staat bekend als het pas-toe-of-leg-uit-principe. Zouden de universiteiten dan eens kunnen uitleggen, waarom zij, anders dan de rest van de onderwijssector, de bezoldiging van hun bestuurders niet aan de Balkenende-norm hebben gebonden? Bij wijze van verantwoording aan de belanghebbenden, zullen we maar zeggen.

Pafort & Partners kenmerkt zich door zijn adviseurs, interim managers, en specialisten. De partners hebben samen meer dan 80 jaar ervaring, zijn in hun aanpak creatief, rationeel, humoristisch, en hebben oog voor het menselijk aspect. Pafort & Partners werkt degelijk, snel, en effectief, heeft bijzondere aandacht voor de voorbereiding, uitvoering, en nazorg van uw opdrachten. Pafort & Partners werkt met u en is er voor u.